Moniek (57) over een jeugd waarin gevoelens niet welkom waren – en waarom het zo moeilijk is om dat emotionele verwaarlozing te noemen.
Emotionele verwaarlozing ziet er niet altijd hetzelfde uit. Soms zijn ouders emotioneel afwezig. Ze merken onvoldoende op wat hun kind voelt of nodig heeft, of er is thuis simpelweg weinig ruimte voor emoties. Maar emotionele verwaarlozing kan ook samengaan met iets anders: een kind klein houden, controleren, vernederen of onder druk zetten.
Bij Moniek liepen verschillende vormen door elkaar.
Aan de buitenkant leek haar jeugd die van een gewoon gezin. Er was een groot huis, een eigen kamer, een kerstboom, Sinterklaascadeautjes, huisdieren en goed eten. Haar vader had een mooie carrière, haar moeder ging later parttime werken.
“Van buitenaf was het volgens mij een heel gewoon gezin dat het goed had.”
Maar vanbinnen was het anders.
“Emotioneel was het heel armoedig.”
‘Stop eens met huilen’
Als kind was er weinig ruimte voor gevoelens. Moniek sprak tot haar vierde nauwelijks. Over emoties werd thuis niet gepraat. Huilen was iets wat je zo snel mogelijk moest stoppen.
Ze herinnert zich dat ze als kind overstuur kon raken en naar haar moeder toe ging. Ze zocht troost, maar kreeg die niet.
Haar moeder duwde haar van zich af.
“Stop eens met huilen. Ik kan je zo niet verstaan. Als je rustig bent, kunnen we praten.”
Voor Moniek zat daar een belangrijke boodschap in: met je verdriet moest je niet bij een ander aankomen. Je moest jezelf beheersen.
Haar vader was emotioneel moeilijk bereikbaar. Op een gegeven moment zei haar broer, die inmiddels puber was: “We kennen papa eigenlijk niet.”
Er werd geprobeerd daar iets aan te veranderen. Omdat praten voor haar vader moeilijk was, schreef hij een brief aan zijn kinderen over zijn gevoelens en over wat er in hem omging.
Maar haar moeder verscheurde die brief.
Het was een illustratie van hoe weinig ruimte er thuis was voor openheid en kwetsbaarheid.
Tegelijkertijd mocht haar moeder zelf wel gevoelens tonen: ze had regelmatig driftbuien.
“Mijn moeder mocht wel, maar ik niet.”
Moniek leerde daardoor niet zozeer haar eigen gevoelens kennen, maar vooral de stemming van een ander aanvoelen. Wanneer was haar moeder boos? Wanneer kon ze iets beter wel of niet zeggen?
Het zou een patroon worden dat ze later in haar relaties opnieuw zou herkennen.
‘Als je niet doet wat ik zeg, zet ik je uit het gezin’
Wanneer Moniek achttien is, krijgt ze een vriendje. Hij komt uit dezelfde buurt. Haar moeder vindt hem niet goed genoeg en ze schrijft Moniek een brief. Daarin staat dat haar wereld groter moet worden, dat ze altijd een meeloper is geweest en dat ze zelf geen goede beslissingen kan nemen. Dus kan ze volgens haar moeder ook niet zelf bepalen welke jongen goed voor haar is.
Maar het blijft niet bij kritiek op haar vriendje. De boodschap is dat Moniek moet doen wat haar moeder zegt. Als ze dat niet doet, kan ze uit het gezin worden gezet.
Moniek woont op dat moment al op zichzelf. Toch maakt de dreiging haar bang. En ze doet wat moeder wil, ze verbreekt de relatie. Ze verbrandt de brief maar de angst blijft.
Achteraf ziet ze hoe sterk de invloed van haar moeder nog steeds was. Achttien zijn betekent blijkbaar niet automatisch dat je je vrij voelt om je eigen keuzes te maken.
Eén keer haar verdriet laten zien
Wanneer Moniek achttien is, raakt ze ongepland zwanger. Ze laat de zwangerschap afbreken, maar vertelt het haar ouders niet. Ze is bang voor hun reactie en vooral bang dat haar moeder haar uit het gezin zal zetten.
Twee jaar later vertelt haar moeder dat ze enorm is aangeslagen door een vrouw in haar omgeving die een abortus heeft gehad. Moniek begint te huilen. En dan vertelt ze haar eigen verhaal.
De eerste reactie van haar ouders is liefdevol. Ze krijgt een kaartje waarin staat dat ze van haar houden.
Maar een half jaar later krijgt het verhaal een andere wending. Haar vader krijgt jicht en haar moeder legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij Moniek: “Het is jouw schuld. Je had het nooit mogen vertellen. Door die stress hij is ziek geworden”.
Moniek heeft één keer iets kwetsbaars verteld. En krijgt vervolgens de boodschap dat haar openheid een ander schade heeft berokkend.
‘Wat ben jij een afgelikte boterham’
Jaren later is Moniek 29. Ze is gescheiden en heeft opnieuw een serieuze relatie. Met kerst nodigt ze haar ouders uit om bij haar te komen logeren. Haar nieuwe vriend is er ook.
Ze noemt Moniek een ‘afgelikte boterham’. “Dat je nu alweer een vriend hebt en ook nog met hem naar bed gaat..!”
Ze zegt dat ze spijt heeft dat ze haar dochter eerder emotioneel heeft gesteund. En vervolgens zegt ze dat ze Moniek nooit meer wil zien. Het contact wordt verbroken.
Veel later als het contact weer een beetje hersteld is, besluit Moniek er iets van te zeggen. “Je hebt me wel gekwetst dat je me een afgelikte boterham hebt genoemd.”
Maar moeder wil er niet over praten. Er komt geen gesprek over wat er is gebeurd. Geen erkenning van de pijn. Het contact wordt eenvoudigweg weer voortgezet alsof het incident niet heeft plaatsgevonden.
En toch vond Moniek het moeilijk om het verwaarlozing te noemen
Zelfs wanneer Moniek terugkijkt op deze gebeurtenissen, vindt ze het lastig om te zeggen: dit was emotionele verwaarlozing.
Er was immers ook een huis. Er was eten. Er waren cadeautjes. Haar ouders waren er. En ze weet dat haar moeder zelf ook haar geschiedenis en haar beperkingen had.
Bovendien kent ze verhalen die in haar ogen veel erger zijn. Oorlogsgebieden, lichamelijk geweld, incest.
“Dan denk je toch: nou ja, zo erg was het bij mij niet.”
Maar juist dat vergelijken maakt het moeilijk om serieus te nemen wat haar eigen ervaringen met haar hebben gedaan.
Een therapeut heeft haar op een gegeven moment uitgelegd dat juist subtiele, manipulatieve vormen van emotionele verwaarlozing heel beschadigend kunnen zijn.
Langzaam begint Moniek dat te begrijpen.
Er was niet alleen sprake van ouders die niet goed met gevoelens konden omgaan. Haar moeder bepaalde ook hoe Moniek moest leven, keurde haar keuzes af, kleineerde haar en dreigde met verstoting wanneer ze niet deed wat haar moeder wilde.
Dat maakt het voor Moniek steeds moeilijker om te zeggen dat het allemaal wel meeviel.
En tegelijkertijd blijft die neiging er.
Ze vertelt bijvoorbeeld dat haar moeder haar laatst ineens aankeek en zei: “Wat ben je toch een lieverd.”
Zo’n moment kan haar weer aan het twijfelen brengen.
“Dan denk ik: hoe kan ik jou als slechte moeder neerzetten?”
Alsof een liefdevol moment het andere ongedaan zou moeten maken.
Maar inmiddels probeert Moniek twee dingen naast elkaar te laten bestaan. Haar moeder hoeft geen slecht mens te zijn om als moeder tekort te zijn geschoten.
Begrijpen is niet hetzelfde als goedpraten
Dat onderscheid wordt steeds belangrijker voor haar.
Moniek kan begrijpen dat haar moeder zelf waarschijnlijk niet heeft geleerd om met gevoelens om te gaan. Dat ze haar eigen pijn en beperkingen heeft. Dat ze uit een andere generatie komt.
Maar begrijpen betekent niet meer automatisch dat ze haar gedrag hoeft te vergoelijken.
Ze mag erkennen dat bepaalde dingen niet goed waren.
Dat haar verdriet geen last had mogen zijn.
Dat ze niet bang had hoeven zijn om uit het gezin gezet te worden.
Dat haar moeder haar niet had mogen kleineren omdat ze een andere keuze maakte.
En dat iemand die zegt “ik wil je nooit meer zien” daarmee niet zomaar iets zegt wat de ander vervolgens maar moet vergeten.
Dat inzicht helpt Moniek ook om anders naar haar huidige relatie te kijken. Wanneer haar partner boos of gespannen is, trekt ze zich gemakkelijk terug. Lange tijd dacht ze dat ze vooral bang was om haar vrijheid kwijt te raken.
Nu denkt ze dat het misschien anders ligt. “Misschien ben ik niet zozeer bang voor mijn vrijheid, maar voor nabijheid.”
Ze herkent hoe snel ze zich afstemt op de ander en haar eigen gevoelens naar de achtergrond laat verdwijnen.
Wat er wél mag zijn
Ook in haar eigen moederschap probeert Moniek iets anders te doen.
Haar kinderen mogen hun eigen leven leiden. Ze mogen andere keuzes maken dan zij zou hebben gemaakt. Ze mogen worden wie ze zijn.
Dat is wezenlijk voor haar. Een kind hoeft niet te voldoen aan het beeld dat een ouder heeft van hoe het leven eruit zou moeten zien om liefde en verbondenheid te verdienen.
Misschien is dat uiteindelijk ook waar haar eigen proces over gaat: leren dat nabijheid niet hoeft te betekenen dat je jezelf opgeeft.
Dat je voor een ander kunt zorgen zonder jezelf kwijt te raken.
Dat je de pijn van vroeger serieus mag nemen, ook als er daarnaast goede herinneringen zijn.
En dat je je ouders kunt begrijpen zonder hun gedrag langer voor hen te hoeven verdedigen.
‘Geef het aan jezelf toe’
Moniek weet inmiddels dat ze emotioneel is verwaarloosd. Ze vindt het alleen nog steeds moeilijk om het echt zo te noemen.
Misschien is dat juist kenmerkend voor dit soort ervaringen. Als er aan de buitenkant niet zichtbaar is wat er ontbreekt, kun je jarenlang denken dat het allemaal wel meevalt.
Daarom wil ze haar verhaal vertellen.
Niet om haar moeder te veroordelen, maar om niet langer voorbij te gaan aan haar eigen ervaring.
“Geef het aan jezelf toe.”
Niet: je ouders waren slecht.
Wel:
Dit was niet oké. Dit heeft mij geraakt. En ik mag dat erkennen.
Image by Daniel Nebreda from Pixabay
Dit was de eerste in een reeks ervaringsverhalen van mensen die emotionele verwaarlozing in hun jeugd hebben meegemaakt.
Hoe is het om op te groeien in een gezin waarin er misschien genoeg zorg was, maar weinig ruimte voor je gevoelens, behoeften en binnenwereld?
In deze nieuwe rubriek vertellen volwassenen over hun eigen jeugd. Ieder verhaal is anders. Juist daarom kunnen persoonlijke verhalen soms iets zichtbaar maken wat algemene informatie niet kan: hé, dit herken ik.
Wil jij ook (anoniem) je verhaal vertellen in een online interview met mij? Stuur me dan een berichtje.